Bevoegdheid van: Jo BrounsVlaams minister van Omgeving en Landbouw

Hervorming recht op voortzetting van de exploitatie lopende vergunningsprocedure

Waarom zou deze regel geschrapt of aangepast moeten worden:

Een bestaande exploitatie kan op basis van artikel 70, §1 van het Omgevingsvergunningsdecreet ten vroegste 24 maanden voor de einddatum van zijn huidige omgevingsvergunning (van bepaalde duur) een hernieuwing van zijn vergunning vragen. Indien die exploitatie haar hervergunningsaanvraag indient ten minste 12 maanden voor de einddatum van een bestaande omgevingsvergunning, mag de ingedeelde inrichting of activiteit verder geëxploiteerd worden na de einddatum in afwachting van een ‘definitieve beslissing’ over de aanvraag. Dit is het zogenaamde recht tot voorzetting van de exploitatie.  

Het begrip ‘definitieve beslissing’ is het sleutelbegrip voor het recht tot voorzetting en krijgt een definitie met artikel 2, eerste lid, 4° van het Omgevingsvergunningsdecreet:  

“4° definitieve beslissing: een beslissing waartegen geen georganiseerd administratief beroep meer kan worden ingesteld en die, wat betreft het recht tot voortzetting van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit als vermeld in artikel 70, § 1, tweede lid, en artikel 390, § 6, niet voor een eerste maal geheel of gedeeltelijk vernietigd is door de Raad van Vergunningsbetwistingen en voor zover de beslissingen in eerste en tweede administratieve aanleg de verdere uitbating toelieten. Het recht op verdere exploitatie stopt definitief wanneer de Raad van Vergunningsbetwistingen de schorsing van de vergunning uitspreekt of na een termijn van maximum vijf maand na de eerste uitspraak van de Raad van Vergunningsbetwistingen” 

Kortom, een bestaande exploitatie die tijdig een hervergunningsaanvraag indiende, moet stoppen en geniet dus niet meer van het recht op voortzetting van de exploitatie in deze gevallen: 

  1. Vijf maanden na een eerste vernietigingsarrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb), tenzij er binnen die termijn een herstelbeslissing is uitgesproken.  
  1. Als de vergunningsbeslissing voor een tweede maal is vernietigd door de RvVb.  
  1. Als de RvVb de schorsing van de vergunning uitspreekt.  

Deze regeling leidt tot disproportionele toestanden bij bestaande exploitaties. Exploitaties die uitkijken op een hervergunning zijn afhankelijk van ofwel (1) een tijdige herstelbeslissing binnen een termijn van vijf maanden en (2) het uitblijven van een tweede vernietigingsarrest. Zo niet, moeten zij de bestaande, vaak historische exploitatie per onmiddellijk stopzetten na het aflopen van de hersteltermijn van vijf maanden of na een tweede vernietigingsarrest van de RvVb.  

Wat de hersteltermijn van vijf maanden betreft, zien we situaties waarin een tijdige beslissing uitblijft of te laat komt. Dit houdt in dat, bij gebrek aan zo’n herstelbeslissing, de exploitatie (tijdelijk) moet worden stopgezet. Dergelijke stopzetting, zelfs tijdelijk, is dramatisch voor de goede werking van de exploitatie. Een exploitant heeft echter geen vat op de tijdigheid van zo’n herstelbeslissing.  

Ook op vlak van een tweede vernietigingsarrest van de RvVb, is deze situatie disproportioneel. Gelet op het hoge vernietigingspercentage bij de RvVb, is de kans op een tweede vernietigingsarrest reëel. Bovendien is het niet omdat een hervergunning voor een tweede maal is vernietigd, dat er per definitie geen verdere exploitatie meer mogelijk is. Een vernietiging zonder indeplaatsstelling door de RvVb impliceert dat er sprake is van een herstelbaar gebrek en er dus perspectief is op een nieuwe hervergunningsbeslissing. Het is dus vreemd dat de exploitatie verplicht moet stoppen na een tweede vernietigingsarrest, zelfs als het vastgestelde gebrek perfect herstelbaar kan zijn. Daarnaast blijft de RvVb bij machte om de omgevingsvergunning te schorsen, waardoor ook het recht tot voortzetting tot exploitatie komt te vervallen.  

Bovendien kan het (verder) onvergund exploiteren van een klasse 1- of 2-inrichting een milieumisdrijf uitmaken en is dus ook strafrechtelijk, minstens bestuursrechtelijk handhaafbaar.

Betrokken federaal minister:

Vlaams minister van Omgeving en Landbouw, Jo Brouns 


Voorstel ter aanpassing:

We stellen voor om artikel 2, eerste lid, 4° van het Omgevingsvergunningsdecreet als volgt aan te passen: 

4° definitieve beslissing: een beslissing waartegen geen georganiseerd administratief beroep meer kan worden ingesteld en die, wat betreft het recht tot voortzetting van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit als vermeld in artikel 70, § 1, tweede lid, en artikel 390, § 6, niet voor een eerste maal geheel of gedeeltelijk vernietigd is door de Raad van Vergunningsbetwistingen met een weigering in de zin van artikel 37, §2 van het het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtcolleges en voor zover de beslissingen in eerste en tweede administratieve aanleg de verdere uitbating toelieten. Het recht op verdere exploitatie stopt definitief wanneer de Raad van Vergunningsbetwistingen de schorsing van de vergunning uitspreekt of na een termijn van maximum vijf maand na de eerste uitspraak van de Raad van Vergunningsbetwistingen het weigeren van de omgevingsvergunning met toepassing van artikel 37, §2 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtcolleges.